Een week Alpe d’HuZes. Met een hoofd vol indrukken keer je huiswaarts. Het thuisfront duidelijk maken wat je allemaal beleefd hebt, is lastig. Wat een evenement! Flarden: de sportzaal in het Palais des Sports vol etende mensen, 21 bochten vol wielrenners, zadelpijn, tevreden vrijwilligers, duizenden aardbeien, bakken vol eten opscheppen, blijdschap bij de bekendmaking van het totaalbedrag tot dan toe. En dat alles speelt zich af rondom een Alp. Een berg, 1850 meter hoog, die Nederlandse wielrenners tijdens de Tour de France tot Hollandse berg maakten. Die Alpe d’Huez vraagt erom beklommen te worden. Al de eerste keer dat je hem ziet, wil je die berg op. Alle 21 bochten verkennen. Een Nederlander is gewend aan overzichtelijkheid. Hier heb je geen idee waar de berg begint of eindigt. In de bus naar boven mist dat overzicht nog steeds. Het is namelijk donker buiten. Lichtjes in het dal vertellen hoe hoog je bent. Wat is die berg steil! Op de top ligt een verlaten wintersportdorp. Vindt dat Alpe d’HuZes-evenement hier plaats? De afdaling voelt als een kermisattractie.

De volgende dag, bij daglicht, is de autorit minder heftig. Ogen hebben nu houvast. Bij bocht 16 is een dorpje. Vanaf bocht 11 is het uitzicht over het dal adembenemend en bocht 4, 3, 2 en 1 blijken heel gemeen voor de fietsers omdat het dorp daarboven wel zichtbaar maar nog erg ver is. Die fietsers zijn er, zolang het maar niet regent, iedere dag. Ze klimmen en dalen. Bocht na bocht. Dat geldt voor alle betrokkenen bij het evenement. Een week Alpe d’HuZes betekent zo’n 334 bochten. Voor sommigen meer, voor anderen minder. De meest intensieve 21 bochten zijn die van de klim omhoog. Per fiets of lopende. Op die momenten leert men zo’n berg goed kennen. Waar zit het venijn? Een steil stuk dat net iets meer pijn doet. De berg is tegelijk wonderschoon. Watervalletjes vol smeltwater. Wegschietende hagedissen. Bloemen. Verbazing over al die renners. Gaan zij dit echt meerdere keren beklimmen?

Spectaculaire afdalingen op de koersdag zelf. Per fiets. Sommigen zijn waaghalzen, anderen dalen voorzichtig en bijna verkrampt. Achterop de motor. Zwoegende fietsers worden gepasseerd. Een eigen strijd, een eigen verhaal. Bocht 10 is de meest bijzondere bocht. Niet alleen omdat hij zo’n beetje op de helft zit. Voor iedere Sallandse vrijwilliger is hij speciaal vanwege dierbare herinneringen. Diezelfde bocht is dit jaar ook de meest heftige vanwege het ongeluk dat 3 juni plaatsvond. Waarschijnlijk door weigerende remmen rijdt een wielrenner voor de ogen van de Sallanders met grote snelheid tegen de rotswand op. Achteraf blijkt dit het enige echt ernstige ongeluk die dag. Momenteel ligt de man in het ziekenhuis van Grenoble. Hij heeft een gecompliceerde enkelbreuk, elleboog uit de kom, hoofdwonden en kan het navertellen.

Vrijdag rijden de Sallanders voor de laatste keer omhoog om de laatste keer de handen uit de mouwen te steken. Het voelt als een afscheid. In een week tijd leer je de berg kennen en vindt er een geweldig evenement plaats. Het dorpje bovenop werd overspoeld door enthousiaste mensen die allen voor een doel gingen. Opgeven is geen optie. Duizenden wielrenners fietsten voor KWF Kankerbestrijding een dikke 10 miljoen euro bij elkaar. En dat allemaal op een Franse berg die één dag knaloranje kleurde… Kippenvel en een brok in de keel. Een onvergetelijke week vol bijzondere mensen en momenten. Deze Alpe d’HuZes-roes zal, denk ik, nog wel even blijven. Bedankt allemaal!

 

Dit verslag stond dinsdag 8 juni in de Sallandeditie van De Stentor. Auteur: Karin de Graaff.